A of B Ruiterbrevet behalen?

Badyhoeve is een terrein dat tot 3kinderen en hun pony's met de hond Djackson behoort.

Slagingscriteria

Filmpjes (A brevet)

Verloop brevetafname

ALGEMEEN

De rijvaardigheidsproef is een leidraad en geen strikte proef.

Via de opgelegde oefeningen worden de eindtermen getoetst.

 

DRESSUUR

*Ruiters wenden af op middellijn met paard aan de hand, stijgen op en nemen linker- of rechterhand.

leiden van paard aan de hand; stilstaan met paard en voorbereiden om op te stijgen

 

opstijgen = ACCENT

- paard staat stil

- teugels op maat

- paard kijkt recht

- li hand op manenkam

- re hand aan de achterboom

- stijgbeugels aannemen zonder te kijken

 

OPMERKING: Met hulp (kleine ruiter met groot paard) kan nog de helft behaald worden.

 

NIET SLAGEN =

- paard loslaten

 

*Oefeningen in stap: de ruiters rijden achter elkaar een diagonaal of een cirkel en individueel een volte halve baan en/of door een S van hand veranderen.

 

ALGEMEEN: De oefening bestaat eruit dat de ruiters gezamenlijk en individueel de opgelegde oefeningen op commando uitvoeren.

 

ACCENT = sturen en niet storen

- correcte vorm van de figuren

- ritme behouden

- paard niet storen

- correct gebruik van de hulpen

- houding

 

Stelling is niet belangrijk

 

NIET SLAGEN =- Figuren niet kunnen uitvoeren

 

*Oefeningen in draf (lichtrijden): diagonalen, cirkels,afwenden op korte of lange zijde.

 

AANDACHTSPUNTEN:

ACCENT =

- constant op buitenbeen draven

- niet storen in de mond

- correcte houding benaderen

- controle

- in het ritme van de beweging blijven

 

NIET SLAGEN = als aan 1 van volgende onderdelen niet wordt voldaan:

- onzeker zijn of geen notie hebben van lichtrijden op het buitenbeen

- geen notie hebben hoe van been veranderen of wat is van been veranderen

- teugels nodig om evenwicht te bewaren.

 

*Oefening in draf: de ruiters zitten max. één hoefslagronde door.

 

ACCENT = onafhankelijk kunnen zitten

- niet storen met zit en handen

- op hoefslag blijven

- ritme behouden

 

NIET SLAGEN =

- storen met zit en handen, zeker als dit het gevolg is van te weinig evenwicht

- niet op de hoefslag blijven

 

*Oefeningen in galop: individueel aangalopperen vanuit draf in een wending. Het maken van een cirkel in de juiste galop. Daarna aansluiten bij de andere ruiters.

 

AANDACHTSPUNTEN:

- aanspringen in galop en niet storen (onafhankelijke zit)

- niet versnellen

- onmiddellijk het tempo controleren

- juiste galop

- correcte houding

- cirkel met de juiste afmetingen

- rustig aansluiten bij groep

 

NIET SLAGEN =

- storen met zit en handen

- niet in galop geraken

- verkeerde galop en niet bewust

 

*Oefeningen in galop: op de andere hand aangalopperen,vanuit draf doorzitten. Het maken van een cirkel in de juiste galop. Het maken van een progressieve overgang naar draf,stap en halt.

 

ACCENT = controle

- doorzitten voor het aanspringen in galop en niet storen (onafhankelijke zit)

- niet versnellen

- onmiddellijk het tempo controleren

- juiste galop

- correcte houding

- cirkel met de juiste afmetingen

- progressieve overgang kunnen maken naar draf, stap en halt op het moment en op de plaats die de jury aangeeft.

- juiste hulpgeving

 

NIET SLAGEN =

- cirkel niet kunnen rijden

- geen controle

- cirkel niet correct gereden

- in draf vallen en niet herstellen

- geen controle bij de overgangen/brutale overgang

- overgangen niet op de afgesproken plaats maken

-Gedragingen als ruiter, verzorging van het paard,onderhoud en zorg materiaal, kledij, omgang, zelfbeheersing, doorzettingsvermogen,

- algemene prestatie.

 

ACCENT = zelfbeheersing

- voorkomen

- doorzettingsvermogen

 

OPMERKING: Als jury hier ter plaatse tijdens de proclamatie duidelijk op wijzen indien de ruiter hier in faalt.

 

Ruiters wenden af en stijgen af.

 

ACCENT = stilstaan

- twee mogelijkheden om af te stijgen (zie boek ruiterbrevetten)

 

NIET SLAGEN =

- niet stil staan tijdens afstijgen

- paard loslaten

 

SPRINGEN:

 frontbreedte hindernissen: min 3 m – oxer: even breed als hoog 3 hindernissen, één uit draf met drafbalk, 2 uit galop met voetbalk 3 sprongen: 1 in draf, 2 in galop

Tonen dat de verlichte zit beheerst wordt.

 

ALGEMEEN:

De ruiters de mogelijkheid geven om hun stijgbeugels aan te passen.

 

ACCENT = zitvlak uit het zadel

 = niet storen

- evenwicht behouden

- hielen laagste punt

- teugels in contact

 

NIET SLAGEN =

- zitvlak niet uit het zadel

- storen

 

BELANGRIJK:

De springoefening stilleggen indien de veiligheid van de ruiter in het gedrang komt. VEILIGHEID STAAT CENTRAAL!

In draf een rechte met drafbalk.

 

ACCENT = niet storen in de mond of in de rug van het paard.

 

NIET SLAGEN =

- storen in de mond of in de rug van het paard

- geen controle

Twee sprongen (rechte en oxer) uit galop.

 

ACCENT = controle

 

NIET SLAGEN =

- niet in galop

- niet mee zijn in galop

- storen

 

ALGEMEEN:

Indien verkeerde galop mag de ruiter een cirkel maken om te herstellen. De sprong moet vanuit de juiste galop genomen worden.

 

WAT BETREFT WEIGERINGEN:

- indien het weigeren schuld is van ruiter kan de ruiter niet slagen

Vb.: stuurfout, voorbij denkbeeldige lijn rijden.

 

- 3 weigeringen over het ganse parcours = NIET SLAGEN

 

- Uitbreken (= gebrek aan controle) is een zwaardere fout dan weigeren voor de hindernis

- Indien de ruiter hulp nodig heeft om te kunnen springen vb. balk lager of naast de hindernis staan = NIET SLAGEN

 

OPMERKING:

- Voltes om te herstellen worden niet als weigering gezien. Het is toegestaan om voor een hindernis een cirkel te rijden.

 

WAT BETREFT VAL:- 1eval: als de ruiter opnieuw de hindernis kan rijden kan hij/zij nog slagen

- 2de val: stoppen met de oefening = NIET SLAGEN

 

 

Ruiterbrevetten A

Het examen bestaat uit een theoretische en een praktische proef waarbij men op alle onderdelen minstens 50% moet halen. Indien men niet geslaagd is kunnen vrijstellingen alleen voor deze rubrieken waar minstens

50% op behaald werd, indien in totaal meer dan 50% werd behaald.

 

 a) De theoretische proef:

Schriftelijk

De jury stelt vragen over de verkeersreglementen en voorschriften voor ruiter en paard bij het betreden op de openbare weg en vragen over de sportspecifieke leerstof. De schriftelijke proef wordt (indien mogelijk) door de jury ter plaatse verbeterd en gequoteerd. De jury heeft hierbij  mondeling toetsrecht.

VLAAMSE HIPPISCHE SPORTBOND

 

Mondeling

 De jury oordeelt na het verbeteren van het schriftelijk examen of er een bijkomende mondelinge proef noodzakelijk is. De beoordeling van deze proef kan eventuele tekorten bij de schriftelijke proef aanvullen. Eveneens kinderen met leerstoornissen kunnen op deze manier geëvalueerd worden.

 

b) De praktische proef

Praktijk dressuur

De jury heeft het recht elk onderdeel van de eindtermen te toetsen. Hij is hiertoe echter niet verplicht (bv. niet alle ruiters moeten het paard poetsen, vastbinden, enz.). Hij moet echter zorgvuldig nagaan of elke ruiter voldoende zelfstandig met het paard kan omgaan. Er mogen meerdere ruiters gelijktijdig de praktische proef afleggen. De jury of verantwoordelijke mag hierbij instructies geven (zie protocol). De jury

moet steeds aanwezig zijn in de piste. De jury let er op dat elke ruiter voldoende bekwaam is om een paard te berijden en te besturen.

 

Praktijk springen

Het springen gebeurt als tweede onderdeel van de praktische proef. Ook hier is de belangrijkste opdracht van de jury te controleren of de ruiter bekwaam is een kleine hindernis op een veilige manier te nemen.

Voor deze springproef kan de jury een globale beoordeling geven. Voor het quoteren let men hier vooral op de veilige uitvoering (voor paard en  ruiter).

 

c) De deliberatie en proclamatie

Enkel de jury oordeelt over het wel of niet slagen van de kandidaten. Het resultaat wordt ingevuld op de verzamelstaat en door de juryleden ondertekend als bevestiging. Wie op alle onderdelen minstens 50% behaalt,  slaagt. Enkel de globale uitslag wordt geproclameerd. De niet-geslaagde kandidaten kunnen enkel vernemen of ze voor het herexamen eventueel  vrijstellingen hebben (onderdelen waarop minstens 50% behaald wordt geven recht op een vrijstelling, indien in totaal meer dan 50% wordt 6 behaald). Zij krijgen hiervan een attest. Vrijstellingen kunnen alleen aanvaard worden indien dit attest kan voorgelegd worden. Zoniet dient het volledige examen opnieuw gedaan te worden.

 

d) Eindtermen ruiterbrevet A

Toelatingsvoorwaarde voor dit niveau: minstens 11 jaar zijn (kalenderjaar).

Theorie

De ruiter kent:

- De belangrijkste uitwendige delen van het paard;

- De gangmaten van het paard;

- Verschillende hoefslagfiguren;

- De hulpgeving voor het rijden met contact;

- De hulpgeving voor het aanrijden in stap;

- De hulpgeving voor het maken van overgangen;

- De hulpgeving voor de overgang van stap naar draf en terug;

- De hulpgeving voor de overgang van draf naar galop en terug;

- De hulpgeving voor de overgang van stap naar halthouden.

 

De ruiter kent de verkeersreglementen en voorschriften i.v.m. ruiter en verkeer, optoming van het paard en uitrusting van de ruiter. Hij kent ook de voorschriften voor een respectvol gedrag in en tegenover de natuur.

De ruiter is bekwaam om, al dan niet onder begeleiding (naargelang de leeftijd) op een veilige manier een buitenrit te maken.

 

Praktijk

De ruiter haalt zelfstandig een paard, bindt het vast en poetst het. De ruiter

rijdt te paard en kan volgende opdrachten in een kleine groep behoorlijk

 uitvoeren:

- Enkele hoefslagfiguren rijden in stap en draf;

- Lichtrijden (op het buitenbeen);

- In een wending aangalopperen;

- Een overgang maken van galop achtereenvolgens naar de draf, de stap en halthouden;

- Verlichte zit in draf;

- Drie sprongen over 2 hindernissen (rechte en oxer met grondbalken) van minimaal 60 cm – maximaal 70 cm hoogte:

o Een rechte vanuit draf

o Twee sprongen in galop

 

De ruiter stoort het paard zo weinig mogelijk in de rug en in de mond. De ruiter zadelt en toomt zelfstandig het paard af en doet de naverzorging. Het jurylid mag dit controleren.

 

e) Uitzondering: het bekwaamheidsattest

Wedstrijdruiters vanaf 7 jaar en jonger dan 11 jaar dienen in het bezit te zijn van een bekwaamheidsattest (is NIET gelijk aan het ruiterbrevet Eerste Graad en NIET gelijk aan de bekwaamheidsproef LRV) om hun licentie te kunnen aanvragen bij VLP.

 

Het bekwaamheidsattest bestaat uit de praktijk van het ruiterbrevet A waarbij men op beide onderdelen minstens 50% moet halen. Indien men niet geslaagd is kan een vrijstelling alleen voor het onderdeel waar

minstens 50% op behaald werd, indien in totaal meer dan 50% werd behaald. De ruiters ontvangen van het jurylid, op de dag van het examen, het formulier BEKWAAMHEIDSATTEST, bevestiging van de resultaten.

 

Indien de ruiter later zijn ruiterbrevet A wil behalen dient enkel de theorie nog te worden afgelegd.

Wanneer het bekwaamheidsattest kan worden voorgelegd dient de ruiter niet meer te betalen voor de theorie van het ruiterbrevet A.

De bekwaamheidsproef LRV wordt gelijkgesteld aan het onderdeel springen van het bekwaamheidsattest VHS. Om in het bezit te zijn van dit laatste attest dient dan nog het onderdeel dressuur te worden afgelegd.

Vrijdag  28 februari 2020

om 9u

meer info ?

Het boek kost 15 euro +4 euro (adm. en verz. kosten).

 

Om het boek te bestellen, stort je het juiste bedrag

(= 19eur) op de rekening van VLP

(IBAN: BE06 4410 6333 8122 en BIC KREDBEBB)

met duidelijke vermelding van NAAM, VOORNAAM, ADRES (waarheen het boek verzonden mag worden) en

BOEK RUITERBREVETTEN en het adres waarnaar het boek mag worden opgestuurd.

 

Het boek wordt, na ontvangst van betaling, binnen de 5 werkdagen verzonden naar het correspondentieadres.

EXAMEN

Badyhoeve is een terrein dat tot 3kinderen en hun pony's met de hond Djackson behoort.
Neem contact met ons op.
Tel 0493 12 81 12

Bezoek ons ook via :

Contact

Formulier verzenden...

Er is een fout opgetreden in de server.

Formulier ontvangen.

laatste update 10 september 2022

BADYhoeve vzw © 2018 | alle rechten voorbehouden